
Door diverse familieleden, van verschillende takken, is als sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw genealogisch onderzoek verricht naar de herkomst en achtergrond van de naam Macrander. De informatie op deze website is gebaseerd op informatie en genealogisch onderzoek van (onder anderen) Gerard Macrander (Arnhem), Mea Macrander (Rotterdam), wijlen Max Macrander (Warrenville, USA), Stephan Macrander (Bocholt, D), Stef Macrander (Zutphen), wijlen Erick Waldschmidt (D) en - laatste, maar zeker niet de minste - Jimmie Dale Macrander (Sunnyvale, USA), aangevuld met eigen informatie.
De naam Macrander is te zeldzaam om geen samenhang te veronderstellen tussen alle naamdragers. Juist doordat de naam Macrander zo weinig voorkomt, werd mijn nieuwsgierigheid naar de herkomst van deze naam gewekt. Men komt de naam Macrander met verschillende schrijfwijzen tegen, zoals MacRander, Marcrander, Makrander, Markrander, Macklander, Maclander, Machlander, Mercander en McCrander. Het gaat hier in de meeste gevallen om spelfouten in het verleden. In de meeste gevallen, niet altijd. Zo komt bijvoorbeeld de naam Macklander en McLander rond het jaar 1650 en 1800 ook in Schotland voor. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat deze families verwant zijn aan de familie Macrander.
De Macranders zijn oorspronkelijk niet - zoals zou kunnen worden verondersteld - van Schotse, maar van Duitse origine. De familie Macrander (voorheen: Langemann) heeft haar "roots" in het Pruisische Hessen en Rheinland. Vooral de stad Wetzlar heeft een prominente plaats in de familiegeschiedenis. Vele Macranders zijn er geboren en getogen. Philips Josias Macrander (1629-1719) en diens zoon Jost Philips (1661-1717), waren zelfs deel van de bestuurselite (het patriciaat) van de stad Wetzlar. Zij waren beide burgemeester van de stad. Philips Josias zelfs twee maal. Wetzlar was in die tijd (de 17e eeuw) "Reichsstadt" en zetel van het "Reichskammergericht", dus een zeer belangrijke stad.
DGeschiedenis
(Kopergravure van Wetzlar, 1646)
De centrale vraag in het genealogische onderzoek was: ‘Wie is de stamvader der Macranders’?
Het is Arnoldt Langemann geweest die na zijn studie zijn naam rond het jaar 1599 veranderde in Macrander. Het was in die tijd onder gestudeerden veelal populair om de naam te veranderen naar het meer chique Latijn of, in mindere mate, Grieksą. De 'vergrieksing' van de naam Langemann levert dan op: makr(os) (= lang) en ander (= man).
Het Meertens Instituut (onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) zegt hierover:
"In Duitsland, maar vooral ook in Zweden werden samenstellingen op -ander < (Grieks) ančr 'man' populair, waarmee onder meer eigenschapsaanduidingen en beroepsaanduidingen vergriekst konden worden. Enkele daarvan zijn ook naar Nederland doorgedrongen en komen nu nog als familienaam voor, b.v. Macrander, samengesteld uit Grieks makros 'lang' + ander < ančr 'man', vgl. Johannes Macrander, ofwel Langemann (BBKL V 1893, p 542)" [Rentenaar-2003, p 89].
Maar wat was nu precies de reden van deze naamswijziging?
Sinds het begin van de tweede helft van de vijftiende eeuw vormde zich een nieuwe elite, parallel aan de strikt hiërarchisch, gestructureerde laat-middeleeuwse maatschappij. De ‘nobilitas literaria’. Een elite die haar identiteit en status niet te danken had aan edele geboorte en privileges, maar aan educatie (de ‘studia humanitatis’˛), persoonlijke prestaties en een gemeenschappelijk interesse in de antieke oudheid. Ook Crotus Rubianus/Johann Crotus (voorheen Johannes Jäger), Maarten Luther en Desiderius Erasmus (voorheen Gerrit Gerritszoon) behoorde tot deze nieuwe elite, de zogenaamde renaissance humanisten.
De ‘studia humanitatis’ omvatte verschillende takken van wetenschappen, zoals grammatica, redekunst (retoriek), poëzie, geschiedenis en wijsbegeerte (ethische filosofie). Deze kwalificaties opende nieuwe deuren naar carričremogelijkheden die tot dat moment altijd gesloten waren geweest, zoals functies in het landelijke en lokale gezag, in scholen en universiteiten,
aan de gerechts- en adelijke hoven en in de kerk.
Het belang van de humanisten in de Duitse educatieve en culturele geschiedenis is opmerkelijk, omdat zij een kleine minderheid waren ten opzichte van de totale bevolking. De humanisten beschouwden zichzelf als de ‘sodalitas literaria’ (een genootschap van geletterden) en minachtte het ongeletterde gewone volk, de ‘profanum vulgus’. Om zich van het gewone, ongeschoolde volk te onderscheiden, latiniseerde en - in mindere mate - vergriekste de humanisten hun gewone namen en begonnen daarnaast dikwijls met het voeren van een familiewapen.
Een tweede reden om de naam te latiniseren of te vergrieksen was het verbloemen van de eenvoudige afkomst. Het overgrote deel van de humanisten was immers afkomstig van de bourgeois of zelfs boerenfamilies.
De ironie wil dat de humanisten in wezen een soortgelijk standsverschil creëerde tussen de geleerden en het ‘gewone’ volk, als het aloude standsverschil tussen hen en de erfelijke adel, dat zij juist zo verafschuwde.

Inleiding
.
.
(1. Latijn, Grieks en Hebreeuws zijn de drie heilige talen)
(2. Humanisme, a) cultuurstroming in de 15de en 16de eeuw, die de menselijke zelfstandigheid centraal stelde (tegenover de kerkelijke
autoriteit) en daarbij vooral de klassieke schrijvers bestudeerde; b) moderne levensbeschouwing die de mens centraal stelt en geen
godsgeloof kent.)